Biotoopbeheer en -verbetering




Achteruitgang van het natuurlijk leven.
Vandaag de dag rest voor het natuurlijk dierenleven weinig ruimte.  Vooral door de intensieve groei van de steden en wegen, agrarisch en recreatief gebruik worden de mogelijkheden voor veelzijdige biotopen extreem sterk beperkt. Biotoopeisen als voedsel, nest- en schuigelegenheid, beschutting en voldoende rust vinden nog slechts een plaats in de marge. Slechts een aantal cultuurvolgers zien kans zich te handhaven en zelfs in aantal onrustbarend toeneemt.  Deze ontwikkelingen in de heden­daag­se maatschappij zijn fataal voor het hele natuurlijke leven in ons hedendaags landschap van insekten en platen tot grofwild. De samenhang tussen de daarin  in complexe ecologische kringlopen en syste­men levende organismen raken zwaar verstoord.
Wat is een biotoop.
Een biotoop is opgebouwd uit allerlei levende en niet-levende onderdelen, waarin een bepaald levend ‘organisme’, een plant, een insect, een zoogdier, een vogel, enz. goed kan leven en zich succes­vol kan voortplanten. Een biotoop is dus per definitie soortgericht. Biotopen kunnen elkaar overlappen en beïnvloeden of vormt een bepaalde vegetatie een belangrijke levensvoorwaarde voor een levend organisme.  Een biotoop wordt in eerste instantie bepaald door landschappelijke ele­men­ten als bodemgesteldheid (bodem­soort, vochtigheid, voedselarm versus -rijk), door reliëf, water­regiem en klimaat. Levende organismen zoals begroeiing, insekten, vogels en andere dieren, afhan­ke­lijk van hun eigen biotoopvoorwaarden, vormen een belangrijke randvoorwaarde voor het biotoop voor elke andere levensvorm. Momenteel  is de meest bepalende biotoopvoorwaarde het menselijk gebruik van onze  leefomgeving.
Bron: De Jacht in nederland (J. Antonisse, ISBN: 90 230 0302 0)
Ecologische verantwoordelijkheid en jacht.
Door de afnemende mogelijkheden om dieren in hun leefomgeving als ‘normaal’te kunnen beleven, neemt de vervreemding van de mens ten aanzien van het beheer en benutting van de levende have in ernstige mate toe.
De moderne stadsmens is het verband tussen vlees, melk en eieren uit de supermarkt én de activi­teiten van de boer en agrarier grotendeels "vergeten”.  Liever wordt het onvermijdelijke verband tussen deze (liefst zo goedkoop mogelijke)  producten en het in gevangen­schap houden en vroeg­tijdig sterven van levende dieren genegeerd. Het noodzakelijke "rode" werk: het doden en slachten wordt liefst fabrieksmatig buiten het direct zicht van het publiek uitgevoerd. De wildbeheerder en jager neemt daarentegen zijn verantwoordelijkheid door deze werkzaamheden als integraal onder­deel van zijn werk te zien en zelf uit te voeren.
Door de vervreemding van de maatschappij van de natuur is een schijnbare tegenstelling ontstaan. Tussen de natuurliefhebbers, de natuur- en wildbeheerders en jagers.  Natuurbehoud en jachtbe­houd zijn steeds minder van elkaar te scheiden. Beider belangen en verantwoordelijkheden vullen elkaar volledig aan. Er is een gezamenlijke, integrale ecologische verantwoordelijkheid ontstaan om opnieuw ontwikkelingskansen te bieden aan flora en fauna. Juist door de jagers en wildbeheerders wordt hieraan een constructieve bijdrage geleverd., die tegelijkertijd de voorwaarden en mogelijk­heden creëert om het jachtbedrijf op een verantwoorde, maatschappelijk aanvaarde wijze uit te oefe­nen.  De noodzakelijke beheeractiviteiten spelen daarbij een belangrijke, niet weg te denken rol. Deze activiteiten leiden tot zodanige biotopen en het  handhaven of opnieuw ontwikkelen van gezonde en  sterke populaties, dat daarmee naast een recht ook de onvervreemdbare plicht tot beheer, ook jachtbeheer, tot stand is gebracht.
Ecologische verantwoordelijkheid en grondgebruik.
Ook een agrariër beheert, zij het in deze moderne tijden vanuit de erg grote bedrijfs-economische druk om zo goedkoop mogelijk te produceren (profijtbeginsel). De grote concurentie en de druk om goedkoop te produceren noodzaakt hem grote, aanaangesloten arealen producten aan te leggen en intensief te boeren. In die zin heeft ook de consument indirect een grote medeverant­woor­delijkheid voor de consequenties voor de natuurlijke omgeving en de daarin in stand gehouden biotopen.
Agrariërs worden ook ingeschakeld bij het biotoopbeheer. Via subsidies, hulp bij het beheer van resterende landschapselementen en financiële vergoedingen voor geleden (wild-)schade wordt het biotoopbeheer van agrariërs beïnvloed.  In ieder geval houdt dat in dat er steeds op een zo klein mogelijke oppervlakte een zo breed en effectief mogelijk bio­toop­effect moet worden bereikt. Dit effect zal met een bepaald beheer (maairegiem, kapregiem) ook zo optimaal mogelijk gehouden kunnen worden. Dat is tevens van belang om mogelijke overlast voor het agrarisch gebruik te beheersen.
Biotoopverbetering en -ontwikkeling.
In de europese en ook Nederlandse situatie met de huidige omvangrijke bedreiging van de natuur is het niet (meer) verantwoord zich te beperken tot soortspecifieke biotoopverbetering. Soort­speci­fieke biotoopverbetering kenmerkt zich meer als  een soort veehouderij gericht op de oogst van een of enkele diersoorten. Daarom worden in deze tijd de ingrepen in de biotopen gericht op de gehele flora en fauna, welke in een bepaald gebied thuishoren. De veelal zeer brede betrokkenheid van ja­gers en wildbeheerders bij alles wat leeft in ons landschap, tesamen met kennis en gezond ver­stand en inzicht hoe een en ander functioneert, zullen tot biotoopingrepen kunnen leiden die nieuwe bestaansmogelijkheden bieden aan vele soorten vogels, planten en dieren die thans (dreigen te) verdwijnen of op sommige plaatsen inderdaad al zijn verdwenen. In dit licht bezien is ons einddoel dan ook, ‘biotoopontwikkeling’, een verbreding van het streven naar verbetering.
Het beheren is één van de eerste aspecten, die bij biotoopontwikkeling aan de orde komen. Een essentiele activiteit bij nieuwe en bestaande landschapselementen. Beheer betreft in de meeste gevallen ruige hoekjes, houtopstanden, onderbegroeiing, oeverstroken en bermen.
Beheer biotopen.
Beheer van biotopen slaagt alleen bij continuïteit, zoveel als mogelijk steeds dezelfde soort ingrepen op dezelfde plaats op hetzelfde tijdstip in het seizoen. Beheer dient vooraf het nagestreefd doel vast­gesteld moeten worden (beheersdoel). Dit is afhankelijk van het soort fauna, de landschap­pe­lijke- en natuurlijke omstandigheden en de vorm en opbouw van de begroeiing. Bij voorkeur  wordt het nagestreefde beheerdoel in overleg met de grondgebruiker vastgesteld.
Houtopstanden.
In veel bosjes en bossen is door dicht opeen staande, regelmatige en eenzijdige beplanting (houtproductie) de ondergroei dikwijls zeer mager. Hierdoor ontbreken vele biotoopvoorwaarden voor flora en fauna. In kleine landschappelijke bosjes die niet worden beheerd voldoet de ondergroei veelal ook niet meer.  Zonder beheer groeit het kronendak zo dicht, dat geen licht de grond meer bereikt en er een "holle” beplanting ontstaat, zonder dekking, veiligheid en voedsel voor de dieren.  Ook zijn de hoge, dunne bomen kwetsbaar voor natuurgeweld (stormen), waarna herstel een lange termijn vereist. Voor veel grondgebruikers is het beheer van landschappelijke bosjes niet meer rendabel in de huidige, grootschalige economische bedrijfsvoering. Zij laten dit graag over aan andere, individuele beheerders (jagers), de zo de allereerste ingang hebben om deze landschaps­elementen weer op orde te krijgen.
Beheer van overhoekjes.
Dit betreft vooral de kruidachtige begroeiing met twee hoofdfuncties voor de levende fauna: voedsel en dekking. Hierbij is de beoogde soort fauna waarvoor de maatregelen worden getroffen van belang. Watervogels en -zoogdieren vergen andere acenten dan landdieren als patrijzen, korhoenders, egels, hazen, enz. Diverse soorten vereisen overlappende biotoopvoorwaarden waar in dezelfde stroken rekening mee kan worden gehouden. In sommige gebieden is het beschikbaar voedsel en afwisseling inmiddels zo mager geworden, dat het gebruik van speciale zaadmengsels en voedergewassen noodzakelijk is geworden. Steeds moet worden afgewogen welke natuurlijke en/of andere maatregelen kan worden volstaan. Voorkomen moet worden dat dit beheer afglijdt naar vormen van veelteelt. Beperking tot ondersteunende maatregelen is dan het devies. Ook bij kruid-0 en ruigtebeheer dient continuïteit de kern van het beheer te vormen en is het aanhouden van een beheeragenda om een regelmatige levenscyclus te bereiken. Hoe die agenda  er uitziet  is afhankelijk van vele factoren, maar zal moeten zijn afgestemd op rust in de voortplantingsperiode en differen­tatie in de ontwikkeling en de "leeftijd” van de begroeiing. Belangrijk is ook dat de begroeiing tegen de winter een zodanig karakter heeft dat winterdekking en –voedsel zijn gegarandeerd.
Beheer van oeverstroken.
 In natte gebieden vergt ook het oeverbeheer, en wel de zone net in het water, zorgvuldige aandacht. Een ondiepe oever biedt gedifferentieerde biotoopvoorwaarden.  Echter, ook de waterafvoer is van belan, zodat ook uitdiepen tot de beheermaatregelen behoort. En dan vergt inventiviteit hoe men wellicht met de uitkomende specie of bagger nog meerwaarde voor de biotoop kan bereiken.
Voorzieningen in beschoeiingen voor landdieren om eenvoudig uit het water te komen redt veel dieren, die bij hun trek in het water terechtkomen en door hoge of steile beschoeiingen niet meer zelfstandig uit het water kunnen komen. Zo worden reëen en hazen van de verdrinkingsdood gered. Ook jonge watervogels  kunnen zo hun droge nesten weer bereiken.
Nieuwe biotoopelementen
Het aanleggen van nieuwe landschapselementen zoals houtwallen,bosjes,  houtopstanden, over­hoek­jes enoeverstroken in open en halfopen landschappen waar deze biotopen zijn verdwenen  levert een aanzienlijke bijdrage aan het herstel van (verdwenen) populaties flora en fauna.
Bron: Praktijkboek biotoopverbetering.