Roof-en grijpvogels in Nederland


Inhoudsopgave:

 

 

Algemeen:

 

Een van de bijzondere kenmerken van de roofvogels zijn, dat de wijfjes bijna altijd tot 1/3 groter dan de mannetjes. Dit geeft het koppel de mogelijkheid, op verschillende prooien te jagen. Het wijfje van de havik grijpt prooien tot de grootte van een haas; het terzeltje (zo noemt men het 1/3 kleinere mannetje) daarentegen bemachtigt dieren tot de maximumgrootte van een fazanthaan.

 

Alle roofvogels die overdag hun prooi vangen, kunnen wij onderverdelen in twee hoofdgroepen: de arendachtige en de valkachtige. Het grote verschil is dat de arendachtige "grijpdoders" zijn: met hun klauwen grijpen ze de prooi en meteen doden ze deze met hun lange nagels.

 

De valkachtige echter gebruiken hun klauwen alleen om de prooi te grijpen, dan doden ze deze met de snavel. Daarvoor is de bek bij alle valken met een "valkentand" uitgerust. Deze "tand" is een inkeping in de bovensnavel die door hefboomwerking de valk toelaat ook de sterke pezen van zijn prooi door te bijten.

 

Alle roofvogels die overdag hun prooi vangen, hebben een bepaald lichaamsgewicht nodig om te kunnen jagen. Een keer zijn krop volgeslagen, gaat bijvoorbeeld een havik niet eerder op jacht totdat, bij het bereiken van een bepaald lichaamsgewicht, de hongergevoelens hem daartoe opnieuw aanzetten.

Dit is een feit waarmee alle valkeniers erg rekening moeten houden. Om met hun vogels te kunnen jagen, moeten zij hen lang op voorhand op een bepaald jachtgewicht conditioneren.

Het fatale in de natuur ligt hierin dat wanneer de vogel te ver onder zijn jachtgewicht zit, hij niet meer in staat is een prooi te bemachtigen. Dit geld uiteraard niet alleen voor haviken, maar voor alle roofvogels.                                                        naar boven

 


SMELLEKEN [Falco columbarius]   

 De kleinste valk is geen broedvogel in onze streken. van augustus tot eind november kunnen wij hem waarnemen als doortrekker, in maart en april vliegt hij terug. We mogen hem dus als wintergast beschouwen.

Het mannetje heeft een blauwgrijs verenkleed en weegt ongeveer 160 gr., het vrouwtje is donkerbruin getooid en heeft een gewicht van 190 gr.

In zijn vlucht kunnen we hem herkennen aan de lange, puntige vleugels en de vrij lange staart (sikkels).

het smelleken jaagt in open landschap op geringe hoogte met een hoge snelheid. Met zijn zwarte ogen achtervolgt hij vooral vogels. Eenmaal binnen bereik grijpt hij zijn prooi met de klauwen en houdt ze zo ook vast als hij met de bek het diertje doodt. Daarna gaat hij over tot het plukken van de prooi. Zijn nest vinden we in de rotsspleten of op de grond.                               naar boven

 


BOOMVALK [Falco subbuteo] 

De boomvalk is iets groter dan het smelleken en komt in laag- en Midden Nederland voor. Een standvogel is hij echter niet: in september vertrekt hij naar Afrika waar de winter wordt doorgebracht; in april komt hij weer voor het zomerseizoen.

Op de rug is deze vogel blauwgrijs gekleurd, een baardstreep siert de zijkanten van de kop. De rosse broek kenmerkt hem. Sikkelvormige vleugels dragen dit dier en als het zit, raken de uiteinden van de wieken de staart.

Het mannetje weegt 250 gr. en het vrouwtje 350 gr.

Deze snelle vlieger achtervolgt in open bossen en velden, langs vijvers en beken grote insecten en kleine vogels. Met de klauwen grijpt hij zijn prooi en eet al vliegend uit het vuistje. in juni vinden we 3 eieren van de boomvalk in een oud kraaiennest aan de bosrand.  naar boven

 

Boomvalk op het nest, zie vooral zijn bont verenkleed


TORENVALK [Falco tinnunculus] 

De torenvalk is de meest voorkomende valk in ons land. Het roodbruine mannetje is gestippeld, heeft een blauwe kop en weegt 250 gr. Het vrouwtje is ook roodbruin, maar in tegenstelling tot het mannetje is zij gestreept. In de vlucht herkennen we hen aan de lange, puntige vleugels en de lange staart.

Sommige onder deze vogels kunnen we beschouwen als standvogels, terwijl andere eerder zwervers zijn.

Biddend, met de kop in de wind, jaagt de torenvalk in open veld op muizen en insecten. Deze vogel is geen snelle vlieger en verschalkt daarom minder snelle prooien, waarop hij zich tot op de grond laat vallen. Aan zijn klauwen ontsnappen is praktisch onmogelijk.

In mei legt het vrouwtje 4 tot 6 eieren in oude kraaiennesten, kerktorens of nestkasten.                        naar boven

 

Torenvalk met prooi


SLECHTVALK [Falco peregrinus] 

De snelste valk treffen we in Nederland nog maar sporadisch aan er zijn geen broedgevallen bekend.

Het mannetje weegt tussen de 500 gr. en de 600 gr. , terwijl het vrouwtje een maximumgewicht van 1200 gr. kan bereiken.

Schalieblauw met een bruine baardstreep langs de nek en onder geel-wit met strepen suist de slechtvalk op lange, puntige vleugels en een al even lange staart voorbij. De baardstreep wordt breder en zwart naar gelang de vogel ouder wordt.

Zwarte ogen achtervolgen in open terrein merel, spreeuw, (hout)duif, lijsterachtigen en kraaiachtigen. Met een snelheid van 320 km/u slaat hij zijn prooi, die van achteren met de klauwen gegrepen wordt. Erg smakelijk is het uitzicht van de prooi na de maaltijd niet!

De slechtvalk komt hier voor tijdens de trek en soms overwintert hij wel eens. Zijn horst bouwt deze cultuurvluchter in een rotswand.

Informatie over voorkomen in Nederland:

Wat de slechtvalk betreft;in 2003 17 territoria!
Van deze 17 paren kwamen er 13 paar tot eileg,waarvan 4 paar in Limburg.
De 13 paar brachten in totaal 27 jongen groot.
Van deze 13 paar zaten er 10 in nestkasten.
Informatie  van de Werkgroep Roofvogels Nederland via "De Takkeling" 2004 nummer 1.                                     naar boven

 

Slechtvalk op zijn uitkijkpost, klaar om toe te slaan


HAVIK [Accipiter gentilis] 

De havik is zo groot als de slechtvalk, het mannetje weegt 700 gr. en is 1/3 kleiner als het vrouwtje dat een gewicht van 1100 gr. heeft. Dit gegeven bezorgt het mannetje de naam "terzel".

De bovenzijde van deze vogel is grijsbruin en onderaan merken we wit met zwarte strepen. Als hij jong is, heeft deze vogel een bruine wenkbrauwstreep en is zijn borst bruin wit gedruppeld. De iris van het oog is geel en verkleurt tot rood bij de oudere vogels.

Ronde vleugels en een lange staart kenmerken hem in de vlucht. Deze standvogel is een echte bosvogel, waar hij met grote snelheid zijn vliegende of lopende prooi verrast. Konijn, rat, haas, fazant, patrijs, kraai, duif en spreeuw, alle staan zij op het menu van deze grijpdoder. Het vrouwtje pakt meer prooien in het veld: ze is te zwaar om vogels te verschalken. Zijn nest vinden we hoog in de bomen en heeft soms 1 meter doorsnede.

Verlies niet uit het oog dat een havik in het jachtveld ook meer wild opbrengt. Hij verdelgt immers heel wat predatoren zoals, kraaien en eksters!     naar boven

 

Havik met zijn pas geslagen prooi


KIEKEDIEF 

In deze familie vinden we drie individuen: de grauwe, de blauwe en de bruine kiekedief.

Deze vogels zijn ongeveer 52 cm groot.

We kennen hen als zomergasten die achteraf wegtrekken. Schommelend, zwevend en plots kleine duikjes nemend, vliegt hij laag over de heide, riet en cultuurland. Lange vleugels dragen hem en de lange staart stuurt deze loer- en bersjager naar vochtige gebieden. Hij vindt zijn voedsel vooral op de grond: muizen, kikkers, maar ook vogels en eieren horen tot zijn spijskaart. Met de klauwen grijpt en doodt hij zijn prooi. De kiekendief behoort tot de grondbroeders. In april - mei legt de kiekedief 3 tot 6 kalkwitte eieren.               naar boven  

 

Een blauwe kiekendief in een rietveld, die zijn jongen beschrmt tegen de zon

Blauwe kiekedief


BUIZERD [Buteo buteo] 

De buizerd is een bewoner van bosachtige streken, hij komt derhalve vrij veel voor in Nederland In de minder beboste delen van  is het bestand kleiner, toch kunnen over het algemeen zeggen, dat de populatie sterk toeneemt.

Deze sterkgebouwde vogel heeft dezelfde grootte als de havik, maar is niet zo behendig en vooral minder snel.

Vergeleken met de havik heeft de buizerd een iets dikkere kop en een variabel verenkleed.

Mannetje en vrouwtje meten beide 53 cm. Brede ronde vleugels kenmerken de trage vleugelslag en een afgeronde, brede maar kortere staart doet ons de standvogel herkennen. Zwevend en hoog in de lucht zoeken zijn bruine ogen naar een prooi op de grond. geregeld zit hij op de uitkijk in bomen langs de weg of op palen. Van op geringe hoogte laat deze loerjager zich op zijn prooi vallen. 98% van zijn voedsel bestaat uit muizen, 2% uit aangeschoten en ziek wild (= trage prooien). Met de klauwen worden de kleine prooien gegrepen en gedood. Soms krabt hij op de grond op zoek naar maden en regenwormen.

In het zelfgemaakte horst worden in april 3 à 4 eieren gelegd.            naar boven

 

De Buizerd komt veel voor in Nederland en vooral in de winter zijn er veel exemplaren waar te nemen alsook de overwinteraars hier zijn.

Buizerd


SPERWER [Accipiter nisus] 

Kleiner als de havik heeft de sperwer een grootte van 30 à 40 cm.

Het mannetje weegt 250 gr. en het vrouwtje 350 gr.

De bovenzijde van het mannetje is leigrijs met een witte nekvlek, onder is hij roodbruin gestreept. het vrouwtje is boven zwart en bruin met een witte wenkbrauwstreep. Onderaan is zij geelbruin gebandeerd; zij lijkt wel een havik in het klein.Deze roofvogel steunt op lange, gele poten en zijn ogen hebben een gele iris. In de vlucht herkennen we hem aan de afgeronde, korte vleugels en de lange staart.

We treffen de sperwer meestal aan als een standvogel, maar er komen ook heel wat wintergasten voor.

Razendsnel achtervolgt de sperwer zijn prooi, die hij in volle vlucht op de grond verrast. Hij jaagt in kleine, lichte bossen op muizen, konijnen, hazen en jonge vogels. Met zijn klauwen grijpt en doodt het mannetje prooien tot de grootte van een lijster en het vrouwtje tot een bosduif. In mei legt de sperwer 3 tot 4 eieren in het nest dat de sperwer zelf in bomen bouwt.                    naar boven

 

Sperwer op het nest dat zijn kuikens voert

 

De Sperwer


WOUW [Milvus] 

In deze familie onderscheiden we twee individuen: de zwarte wouw en de rode wouw.

Beiden hebben zweefvliegers de grootte van een buizerd.

Kenmerkend, zeker in de vlucht, is hun gevorkte staart, die bij de rode wouw een zeer diepe inkeping heeft.

                                 naar boven

 

 

 

Zwarte wouw


VISAREND [Pandion haliaetus] 

Deze arend is 70 cm. groot en weegt 1500 à 1800 gr.

Hij leeft uitsluitend van vis en maakt prachtige duikvluchten om zijn maaltijd te vangen.

We nemen hem in voor- en najaar waar in Limburg bij de Maasplassen en in Flevoland alleen als hij op doortrek is.

                                       naar boven

 

Visarend een enkel broedvogel in Nederland, maar meestal een wintergast en doortrekker

Visarend


RUIGPOOTBUIZERD[Buteo lagopus]   

Deze buizerd komt in Nederland niet voor als broedvogel.

Van gestalte is hij iets groter dan de gewone buizerd en heeft loopbenen die tot op de klauwen behaard zijn.

Dit kenmerk is uiteraard niet waar te nemen in de vlucht, wel het "bidden" zoals bij de torenvalk!

De volwassen vogel is grauw of wit tot zwart gekleurd, terwijl bruin de hoofdkleur is bij het jonge dier.

De kopveren zijn witachtig met afwisselend een donkerbruine schachtstreep. De keel is wit met donkere, fijne lengtestreepjes, de buik schildert zich roomkleurig wit. Op het menu van de ruigpootbuizerd staan vooral muizen. In september komt hij uit Scandinavië en in het voorjaar vertrekt deze vogel weer.                naar boven


WESPENDIEF [Pernis apivorus] 

Deze 55 cm. grote stootvogel is zeldzaam in onze streken, maar komt meer voor in de Ardennen.

Onderaan is hij bruin en heeft schachtstrepen; rug, vleugels en staart kleuren zich sepiabruin. De kop is grijsbruin tot asgrauw getint en we merken schubachtige veertjes rond de ogen plus een oogstreep. Het loopbeen is geschubd en de nagels zijn ten opzichte van andere roofvogels minder sterk gekromd. Hij heeft deze immers nodig om wespennesten uit te krabben. De wespendief heeft een trage vlucht, maar met zijn 700 à 800 gr. loopt hij toch vrij behendig. Kikkers, hagedissen, rupsen, kevers en muizen behoren tot zijn dis. Larven van wespen zijn voor deze vogel een noodzaak in de broedtijd en bij het grootbrengen van zijn jongen. Een standvogel is de wespendief niet: in augustus vertrekt hij naar Afrika en in april keert hij terug naar zijn oud horst. Daarin legt hij begin juni 2 eieren.

                                       naar boven

Wespendief


STEENAREND    [Aquila chrysaetos]  

Deze 79 tot 95 cm. grootte zeldzame gastvogel is samen met de zeearend één der sterkste roofvogels.

Het mannetje heeft een spanwijdte tot 210 cm en het vrouwtje tot 230 cm.

Deze vogel is donkerbruin van kleur waarvan de kop en hals goudgeel gekleurd zijn, de ogen zijn lichtbruin.

Lange, brede vleugels, in de vlucht een beetje gebogen, V-vormig gehouden.De handpennen zijn sterk gespreid. Grote staart die nauwelijks rond loopt. Deze poten van deze vogel zijn bevederd en zijn voorzien van sterke klauwen. Marmotten, sneeuwhoenders, sneeuwhazen jonge gemzen, reeën en vossen staan voor deze vogel op het menu. In maart - april legt hij 2 tot 3vuilwitte, bruinachtig en grijsgevlekte eieren.                              naar boven


Met dank aan WBE Susteren/Graetheide

Steenarend

Steenarend